Jan Bernd Bicker

Bicker en de pokken

“Nov. 23: een flauwte op t’Stadhuys gehad,” noteerde Jan Bernd Bicker in zijn memoires. Het was 1768, Bicker was 22 jaar en had zijn eerste baantje op het Amsterdamse stadhuis, als commissaris van kleine zaken. Twee dagen later was duidelijk wat er aan de hand was. Jan Bernd Bicker had de pokken. Alweer. De eerste keer had hij de ziekte als tiener opgelopen, schrijft hij, in het huis van professor Johann Hahn – arts, natuurkundige, scheikundige – aan de Nieuwegracht in Utrecht. Daar ging de Amsterdammer sinds zijn tiende naar school. Hij kreeg de pokken toen tegelijk met de kleine kinderen van de professor. Die had daarna nog verslag uitgebracht van het ziekteverloop: na een aantal dagen van hoofdpijn en koorts raakte het hele lichaam bedekt met rode pukkels die vervolgens zwarte zweren werden. De pokken was zeker onder jonge kinderen de dodelijkste ziekte van de achttiende eeuw en heette daarom ook wel de kinderziekte.

Twee keer?
Wie de pokken overleefde, zou daarna voor altijd immuun moeten zijn. Toch beweert Jan Bernd Bicker dat hij de ziekte twee keer kreeg. En er zijn wel degelijk gevallen bekend van mensen die de pokken een tweede of zelfs een derde keer kregen, dat schreef een arts in 1860 tenminste in het medische tijdschrift The Lancet. Het kan dus zijn dat Bicker één van die ongelukkigen was, zoals dat in zijn leven wel vaker het geval was.

Doodsangsten
Die tweede keer stak Jan Bernd Bicker ook zijn vader, Henrick, aan. Moeder Clara stond doodsangsten uit. “De kinderziekte sloop, het spaeren ongewoon, In ’t bloed van man en zoon,” herinnerde haar dichtende vader Jan Hudde Dedel zich tijdens het zilveren huwelijksfeest van de Bickers in mei 1770: “Wat angsten hebt gij toen manmoedigh niet gedraegen!” Vader en zoon Bicker balanceerden op het randje van de dood, maar Clara’s gebeden werden verhoord. Allebei overleefden ze de ziekte. Dat dan weer wel.

Tegen inenting
Clara Bicker was trouwens, anders dan bijvoorbeeld haar zus, altijd een fel tegenstander van inenting tegen de pokken geweest, blijkt uit een brief van haar broer Willem Dedel. Inenting was in die tijd ook nog behoorlijk experimenteel. In 1748, het jaar dat Jan Bernd Bicker twee werd, had de Amsterdamse arts Théodore Tronchin als eerste in Nederland zijn zoon ingeënt tegen de pokken, nadat zijn jongste kind bijna aan de ziekte was overleden. Hij injecteerde hem met een beetje van het virus uit een puist van iemand die een milde vorm van de pokken had. De bedoeling van zo’n inenting was dat het kind de ziekte dan in lichte mate kreeg, om daarna voor altijd immuun te zijn. Natuurlijk met het risico dat hij het toch zwaar te pakken zou krijgen, en zelfs zou overlijden.

Suze van vier en Claartje van drie
Na zijn eigen ervaringen met de ziekte, tot twee keer toe nog wel, is het misschien geen wonder dat Jan Bernd Bicker zijn eigen kinderen ondanks die risico’s wel liet inenten tegen de pokken. Hij was er als echte zoon van de Verlichting vast ook van overtuigd dat de wetenschap de ziekte de baas kon zijn. In april 1775 noteerde hij in een dagboek dat een neefje in Den Haag was ingeënt door de bekende professor Zwenke en “zeer gelukkig” de kinderziekte had gehad: hij had lichte symptomen gekregen en was vervolgens immuun. In oktober liet Bicker zelf zijn twee oudste kinderen – Suze van vier en Claartje van drie – inenten door de Leidse hoogleraar en arts Wouter van Doeveren, een groot pleitbezorger van inenting. Vanwege het besmettingsgevaar gebeurde dat op de buitenplaats Overdorp in Leiderdorp. Bicker vond het zo’n gedenkwaardig moment dat hij het later opnam in zijn biografische aantekeningen.

Verboden
In Amsterdam was inenten toen nog verboden. Pas in de jaren tachtig van de achttiende eeuw stond het stadsbestuur het soms toe, bijvoorbeeld als er een hevige pokkenepidemie woedde. Zoals in 1784. Jan Bernd Bicker liet op 10 februari van dat jaar zijn jongste dochters Catootje en Agnes net buiten de stad aan de Overtoom inenten door “Dr. Deyman”, waarschijnlijk Johan Rudolph Deiman, die later nog lijfarts van koning Lodewijk Napoleon zou worden. Geen van Bickers kinderen zou de pokken zelfs maar één keer krijgen.

Uitgeroeid
In 1798 ontdekte de Engelse arts Edward Jenner dat mensen op een veilige manier tegen de pokken konden worden ingeënt met de koeienvariant van het virus: de vaccinatie. Twee jaar later vond in Amsterdam de eerste vaccinatie plaats. Vaccinatie zorgde ervoor dat de pokken uiteindelijk als enige infectieziekte helemaal uitgeroeid raakten.

 

Afbeelding: Links het effect van inenting na veertien dagen, rechts dat van vaccinatie. Tekening door George Kirtland, 1802.  WMS 3115

Jan Bernd Bickers aantekeningen over de pokken bevinden zich in het archief van de familie Bicker, Stadsarchief Amsterdam, toegangsnummer 195. De biografische notities: inventarisnummer 151. Het dagboek met daarin de inenting van zijn neefje: inventarisnummer 152. De brief aan Clara Bicker van haar broer Willem Gerrit Dedel, van 6 maart 1765, zit in hetzelfde archief, inventarisnummer 120, net als de feestzang voor het zilveren huwelijk van Clara en Henrick Bicker: inventarisnummer 126. Over de pokken in Amsterdam: Annet Mooij, Van pest tot aids. Vijf eeuwen besmettelijke ziekten in Amsterdam, Bussum 2001.

Advertenties