Jan Bernd Bicker

De radeloze geschiedschrijver

Een bekend probleem: je bent van plan iets te schrijven – een boek, een artikel – maar je blijft eindeloos hangen in onderzoek. Want ja, je hebt meer informatie nodig, en het is allemaal ingewikkeld. Het overkwam ook Pierre Alexandre Dumont-Pigalle, een Frans-Nederlandse journalist met patriotse sympathieën, die na het mislukken van de patriottenrevolutie in 1787 naar Frankrijk vluchtte. Daar nam hij zich voor een groot geschiedwerk over de gebeurtenissen van zijn tijd te schrijven. Hij begon vol overgave gegevens te verzamelen. Dumont-Pigalle vergaarde couranten en pamfletten, vroeg verschillende ooggetuigen de gebeurtenissen te beschrijven, correspondeerde met prominente patriotten en pende honderden blaadjes vol met zijn eigen herinneringen en ideeën.

Zucht naar de waarheid
In het najaar van 1790 zond Dumont-Pigalle een lijst met gedetailleerde vragen over de politieke verwikkelingen van drie jaar eerder aan de voormalige Amsterdamse patriottenleider Jan Bernd Bicker. In een begeleidende brief deed hij meteen zijn beklag over hoe zwaar het schrijven van zijn Histoire hem viel. Bicker vertrouwde hij dan wel op zijn woord, maar dat kon hij niet van al zijn bronnen zeggen. Er bestonden zo veel verschillende versies, ingegeven door zó veel onwetendheid en vooroordelen, er waren zo veel gelegenheden om de fout in te gaan: hoe kon hij op die manier nou ooit een goed boek schrijven? En, schreef Dumont-Pigalle, hij werd nu eenmaal gedreven door een vurige en constante zucht naar de waarheid en móést zijn tijd en energie dus wel blijven steken in het opsporen en afwegen van de feiten. Dumont-Pigalles grote werk zou ook nog eens gaan over een van de ingewikkeldste geschiedenissen die je je maar kon voorstellen. Vond hij zelf. En daarom was het waanzin te denken dat hij, als hij zowel informatief als nauwkeurig wilde zijn, zo’n geschiedwerk zou kunnen schrijven met hetzelfde gemak waarmee iemand een roman schrijft.

Tienduizend gulden
Dus ging hij door met zijn onderzoek. En kwam er van schrijven niets terecht. In 1800 had hij het blijkbaar opgegeven. Toen probeerde Dumont-Pigalle – intussen helemaal aan de grond geraakt – zijn papieren nog te verkopen aan de Nederlandse staat. Hij vroeg er veertienduizend gulden voor, en dan nog een jaargeld van twaalfhonderd gulden. De regering bood eind 1800 ten slotte tienduizend gulden voor de verzameling. Dumont-Pigalle overleed ruim een half jaar later. Zijn archief is tegenwoordig ondergebracht in het Nationaal Archief en beslaat vijf meter aan aantekeningen en documenten.

Smoes
Ik lees het verhaal van Dumont-Pigalle als een waarschuwing. Er komt een moment, dan weet je genoeg en dan wordt nóg meer onderzoek een smoes om niet te beginnen met schrijven. En dan moet je jezelf toch echt aan het schrijven zetten. Ook al is schrijven best eng, en staat je misschien nog wel kritiek te wachten ook. Anders heb je straks vijf meter aan aantekeningen, maar geen boek.

Onnauwkeurigheid
Volgens de historicus Herman Colenbrander, die in 1897 promoveerde op een dissertatie over de patriottentijd, was het trouwens niet zo erg dat Dumont-Pigalle zijn grote werk niet schreef: “Zijn geschiedwerk zelf is in de pen gebleven, en de enkele geschriften van vóór 1787 die wij van zijn hand bezitten, doen dit niet te zeer bejammeren.” Colenbrander zelf publiceerde in een paar jaar tijd drie dikke delen over de patriotten. Maar hem werd dan weer onnauwkeurigheid verweten.

 

Afbeelding: ‘De radeloze geschiedschrijver’, een prent van Pieter van Woensel uit 1796, nu in het Rijksmuseum Amsterdam.

 

De brief van Dumont-Pigalle aan Jan Bernd Bicker bevindt zich in het Stadsarchief Amsterdam: archief van de familie Bicker, toegangsnummer 195, inventarisnummer 309.
Het archief van Dumont-Pigalle is in het Nationaal Archief, Den Haag, Collectie 001 Dumont Pigalle, nummer toegang 2.21.057.
Colenbrander schreef over Dumont-Pigalle in: H.T. Colenbrander, ‘De verzameling Dumont-Pigalle’, Nederlandsch Archievenblad 8 (1899-1900) 76-84.

Advertenties