Geschiedenis

Berlage en de toeristen

H.P. Berlage reisde in 1923 naar Nederlands-Indië, het huidige Indonesië. Tijdens zijn reis kreeg de Amsterdamse architect veel bewondering voor de Indische cultuur, zo schrijf ik deze maand in Het Parool. Maar in een brief voor de krant Het Vaderland mopperde hij ook over de moderne, westerse invloeden die hij onderweg tegenkwam. En over de groeiende toeristenindustrie en de hordes Amerikanen. Zijn klacht klinkt eigenlijk heel modern.

Amerikanen
Allerlei reisbureaus maakten reclame voor Indië als “toeristland”. Ze probeerden de reiziger te verleiden tot een “trip through Sumatra”. Dat was een route van Medan langs het Tobameer naar Padang, of andersom. Het doel was vooral, zo vermoedde Berlage, “elk jaar een paar maal eenige honderden Amerikanen collectief op die ‘bevoorrechte’ streken los te laten”. Op Java gebeurde dat al volop. En het (toen) door westerse invloeden nog ongeschonden Bali zou zeker op het lijstje staan voor een volgend bezoek. Zo’n “vreedzame penetratie” was alleen met de auto mogelijk, schreef Berlage, “omdat ook voor den toerist time money is”. Bovendien was het natuurlijk niet de bedoeling van de reiziger om de dingen die hij zag ook werkelijk te bekijken, “maar alleen er langs te gaan, om er te zijn geweest”.

Bouwkunst-maniak
Toch kon ook Berlage de verleiding niet weerstaan het dwars-door-Sumatra-tripje te maken. Vier dagen moest je daar minimaal voor uittrekken, zo vertelden de reisbureaus, maar het was ook wel in twee gedaan. Berlage koos voor een zesdaagse variant, want zelfs met vier dagen moest je nog tweehonderd kilometer per dag in de auto afleggen en hij wilde onderweg ook nog wel wat zien. En wat hij zag was geen teleurstelling: prachtige zeegezichten vanaf de weg die vanuit Sibolga “in een duizendtal wendingen bergopwaarts gaat” en het “boomlooze heroïsche landschap van het Tobameer”, maar vooral was hij gefascineerd door de dorpen van de Batakkers en de Minangkabauers met hun paalwoningen – “en dat zeg ik heusch niet als bouwkunst-maniak.”

Golfplaten dak
Er was nauwelijks iets karakteristiekers denkbaar dan zo’n kampong met in het blauw geklede inlanders, waar de mannen zaten te schaken terwijl de vrouwen rijst stampten of aan het weven waren, allemaal tegen de achtergrond van die volmaakte huizen met uitgeholde nokken en spitse gevels. Maar, zo zag Berlage, ook die volmaaktheid begon hier en daar al ten prooi te vallen aan “dezelfde verwoester als overal”: het golfplaten dak.

Kampong kleiner

Afbeeldingen:
Portret van H.P. Berlage uit het Bouwkundig Weekblad Architectura, 18 augustus 1934.
De kampong Matoea op Sumatra, tussen 1880 en 1908 gefotografeerd door C.B. Nieuwenhuis. Geheugen van Nederland.

Advertenties