Geschiedenis

Vluchtelingen

Eigenlijk werd er vroeger nooit gesproken over Jules, de eerste man van zijn moeder Ruth, zegt Jack Weil. Hij wist dus ook niet zoveel over hem. Jules en Ruth Loszynski behoorden tot de tienduizenden joden die in de jaren dertig van de vorige eeuw naar Nederland kwamen, op de vlucht voor vervolging in nazi-Duitsland. Maar na de dood van zijn moeder vond Jack in een oude hutkoffer, met daarop nog de stickers van hun reis uit Berlijn, een camera, twee fotoalbums en een grote reeks negatieven. Jules bleek zijn eigen leven en dat van andere vluchtelingen uitvoerig gefotografeerd te hebben. Jack Weil vertelt erover in het kader van Open Joodse Huizen, in het ‘Joodse verblijf’ van het Lloyd Hotel, het voormalige hotel voor landverhuizers aan de Oostelijke Handelskade dat in 1939 opvang bood aan joodse vluchtelingen uit Duitsland.

Grenzen dicht
In Amsterdam waren joden van oudsher welkom geweest, ook als ze elders vervolgd werden, maar dat lag in de jaren dertig wel anders. Nadat Hitler in 1933 in Duitsland aan de macht was gekomen was de Nederlandse regering bang overspoeld te raken door vluchtelingen. Er gold een steeds strenger toelatingsbeleid en in mei 1938 gingen de Nederlandse grenzen helemaal dicht. Dat bleef ook zo na de Kristallnacht van 9 november 1938, toen nazi’s in Duitsland synagogen en joodse bedrijven plunderden en vernielden, ruim honderd joden vermoordden en tienduizenden afvoerden naar concentratiekampen. Nederland liet daarna maar enkele duizenden joden toe. Die werden allemaal – op kosten van de joodse gemeenschap zelf – onder toezicht in kampen geplaatst, in Amsterdam in het Lloyd Hotel en in een kamp aan de Zeeburgerdijk.

IJscoman
Jules Loszynski, toen 29 jaar, en zijn vrouw Ruth waren al in juni 1938 naar Amsterdam gevlucht. Eigenlijk wilden ze doorreizen naar Amerika, maar intussen hadden ze een onderkomen gevonden in Amsterdam-Zuid en Jules ging in 1939 werken in de vluchtelingenopvang in het Lloyd Hotel. Daar legde hij het bestaan met zijn camera vast. Er woonden tot wel driehonderd mannen, vrouwen en kinderen. Jules fotografeerde de grote slaapzalen, de bedden dicht op elkaar, de eetzaal en de keuken, met zijn enorme pannen. Maar ook de recreatiezaal en het werk dat er gedaan werd: kleren maken, schoenen lappen. Tijdens Poerim was er een feest voor de kinderen, die verkleed gingen. Jules zelf doste zich uit als ijscoman. “Lloyd Eis”, staat er op zijn karretje. Jules was sociaal en sportief, een echte ‘blitskikker’, aldus Jack Weil.

Jules en Ruth Loszynski kregen geen visum voor de Verenigde Staten. Ze werden uiteindelijk door de nazi’s opgepakt en naar concentratiekamp Bergen-Belsen gestuurd, waar Jules eind 1944 overleed. Ruth overleefde de oorlog en hertrouwde. Samen met het Stadsarchief Amsterdam ontdekte haar zoon Jack dat, op Ruth na, vrijwel alle mensen op de foto’s van Jules tijdens de oorlog vermoord zijn. De foto’s van Jules Loszynski zijn nu te zien in de Beeldbank van het Stadsarchief.

Tien barakken
Onder de vluchtelingen die Nederland wel wilde opnemen waren veel kinderen. Eind november 1938 werd een eerste groep van 27 kinderen ondergebracht in Kamp Zeeburg, in de tien houten barakken die de gemeente twintig jaar eerder aan het eind van de Zeeburgerdijk had laten bouwen als quarantaine-inrichting. In een stampvolle achterkamer van de zeventiende-eeuwse Herberg Zeeburg, die onderdeel uitmaakte van het kamp, vertelt onderzoekster Miriam Keesing tijdens Open Joodse Huizen over die vluchtelingenkinderen die na de Kristallnacht naar Nederland kwamen. Een van de eerste kinderen was Ruth Herskovits, toen tien jaar, uit Hannover. In haar memoires herinnert die zich het eten, dat in grote metalen tonnen zat en ook naar metaal smaakte, en de barakken met de stapelbedden, waar het altijd koud en vochtig was.

In december 1938 waren er 227 kinderen in Kamp Zeeburg. Veel Amsterdammers deden hun best het verblijf van de kinderen wat plezieriger te maken. Ze gaven kleren, speelgoed, spellen, en zelfs radio’s en elektrische klokken. Ook de HEMA schonk 150 stuks speelgoed. Met Chanoeka kwam er een goochelaar optreden, de kinderen zongen en speelden toneel en ze kregen allemaal een setje postpapier cadeau. In januari 1939 werden alle kinderen overgeplaatst naar andere locaties in Nederland. Een aantal van hen schreef daarna een briefje aan kapitein Marinus Houbolt, die de leiding over het kamp had, om hem te bedanken. Houbolts schoondochter heeft de brieven en andere papieren niet lang geleden overgedragen aan het Joods Historisch Museum.

Difterie
Een tijdlang bood Zeeburg daarna alleen opvang aan volwassenen, maar toen er op andere plekken difterie uitbrak onder de vluchtelingenkinderen ging het kamp als quarantaine dienen. Zo kwamen broer en zus Marianne en Robert Weil uit Mannheim er terecht. Hun vader was overleden aan verwondingen die hij had opgelopen tijdens de Kristallnacht, en hun moeder had ze op de trein naar Nederland gezet. Mariannes naam duikt op in de archiefstukken omdat ze als meisje van zeventien nog weleens tegen alle regels in op de slaapzaal van de oudere jongens kwam. Marianne zou uiteindelijk in concentratiekamp Auschwitz belanden, haar broertje Robert in Sobibor.

De gemeente Amsterdam liet Kamp Zeeburg in maart 1940 ontruimen. De laatste vluchtelingen uit het Lloyd Hotel vertrokken in juli 1940. Ze gingen naar het vluchtelingenkamp Westerbork, dat vanaf 1942 door de nazi’s gebruikt zou worden als doorgangskamp voor transport naar de vernietigingskampen.

Een gezicht
In het Lloyd Hotel sluit acteur Vanja Rukavina de bijeenkomst van Open Joodse Huizen af. Hij is zelf afkomstig uit Sarajevo en gaf met zijn voorstelling Nobody Home een gezicht aan de vluchtelingen van nu. Hij leest voor uit het dagboekje dat Jules Loszynski bijhield in Bergen-Belsen. Korte zinnetjes zijn het maar: een pakketje is aangekomen, extra aardappelen bij de maaltijd, gegeten bij Ruth. Maar ze brengen Jules heel dichtbij en geven net als zijn foto’s een gezicht aan de vluchtelingen van toen.

 

Afbeelding: Vluchtelingenkinderen vieren Poerim in het Lloyd Hotel, foto door Jules Loszynski, 1939. Stadsarchief Amsterdam.

Advertenties